Tuesday, October 1, 2013

Reis naar een paradijs


In september 2013 werden wij door twee gebeurtenissen herinnerd aan een berg op Java, de "Goenoeng Gedeh" bij Soekaboemie (150 km ten zuiden van Jakarta).

            


Bob Woldringh Sr., onze pater familias, voor het schilderij van de Goenoeng Gedeh.

Eerst was er het overlijden van onze pater familias, Bob Woldringh Sr., wiens 90ste verjaardag we over enige maanden zouden gaan vieren. Hij gaf het grote schilderij van de Gedeh terug dat jarenlang in mijn ouderlijk huis had gehangen. Het "Het Gouden Land" werd geschilderd door C. Dake in 1920 en werd in datzelfde jaar aangeboden aan grootvader Conradus Woldringh door het personeel van de Nederlands Indische Handelsbank.
De tweede gebeurtenis was een bezoek aan Henriette van Raalte-Geel, schrijfster van het boek "Mogen we altijd in dít kamp blijven?" (2005. Mozaïek, Zoetermeer).  Een interview met haar werd kort geleden uitgezonden op de Nederlandse TV door de VPRO in het programma "Andere Tijden".
In haar boek beschrijft zij hoe zij, in augustus 1942, met haar moeder en twee zusjes in een kar vanuit een bergdorp naar Buitenzorg rijdt om er geinterneerd te worden: "Na een volgende bocht kijken we uit over de rijstvelden. De schittering van de natte sawah's kronkelt als een zachtblauw lint in horizontale terrassen dwars door de droge, groene ladangs (rijstvelden). Aan de einder wuiven palmbomen.
Terwijl we voortsukkelen, klimt de zon steeds hoger. De wind is gaan liggen. De top van de berg Goenoeng Gedeh in de verte krijgt een blauwe schijn, naarmate de zon hoger komt."
De schrijfster is even oud als ik, heeft in vergelijkbare kampen in Bandoeng en Batavia gezeten, heeft vergelijkbare dingen beleefd, maar heeft zóveel meer herinneringen! In haar boek schrijft ze erover vanuit het gezichtspunt van een kind, d.w.z. van iemand die denkt (pagina 66) "....dat het leven in een Japans kamp hét leven is." Zij vervolgt: "Dat dit leven in vervallen, verwaarloosde barakken mensonterend is, beseffen we niet. Dat luizen ongedierte zijn en dat we in onhygiënische omstandigheden leven, beseffen we evenmin. Dat moeder en zoveel andere vrouwen zich vernederd voelen, dringt niet tot ons door."
Dit boek is géén aanklacht tegen wat "de Jap" ons heeft aangedaan. Het is een eerbetoon aan onze moeders. Het is tot nog toe het enige kampboek dat ik in zijn geheel heb kunnen uitlezen.

In het laatste gedeelte beschrijft Henriette van Raalte de repatriëring op het stoomschip "Nieuw Amsterdam". Dezelfde herinneringen komen bij mij boven.  En ook het lichtgevende water in de badkamer toen mijn moeder het licht uitdeed en met haar hand door het water roerde? (waarschijnlijk afkomstig van de Zeevonk of Noctiluca scintillans). Ook herinner ik mij vliegende vissen en de woestijn die ik vanuit de ziekenboeg door een patrijspoort kon bekijken (waarschijnlijk toen we aanmeerden in de baai vanSuez).


De Nieuw Amsterdam, varend langs de woestijn. Tekening uit mijn schoolschrift van 1947. Lagere school te Sutz. De zwarte stippen zijn vogels of vliegende vissen.

Herinneren, hoe werkt dat? Ik herinner me geen rijstvelden of palmbomen, wél dat we als jongetjes van 5 jaar elkaar voorttrokken in grote palmbladen en achterna geschreeuwd werden door boze vrouwen die niet in al dat stof wilden zitten.

Misschien zijn mijn herinneringen uitgewist door de herinneringen aan Sutz, een paradijs in Zwitserland. We gingen daar naar toe nadat ik twee maanden (januari, februari 1946) in het WG te Amsterdam gelegen had.  Ik heb daar mijn eerste twee schooljaren doorgebracht.
Sutz werd mijn "Kinderland", ondanks de in mijn bord uitgekotste brandnetelsoep die ik weer moest oplepelen; ondanks de veel sterkere vriendjes die me steeds voorhielden dat Holland de oorlog was begonnen; ondanks de klappen van mijn Zwitserse Oom, die mijn weer naar Nederlands-Indië vertrokken vader verving. Maar als ik zong: "Welsche Kukummere, Dütsche Salat, hätsch mi g'frässe, wärsch e Soldat", dan rende hij me speels achterna, gooide me in de lucht en ving me vaderlijk op.

Het boerendorpje moet ook grote indruk gemaakt hebben op Henri Debluë, die er over schreef in zijn boek "Les Cerises Noires", De Zwarte Kersen. Maar voor zijn hoofdpersoon Roland Bocion, geboren in 1926, was Sutz geenszins een paradijs:  "Op een dag in februari 1976, gaat Roland in Biel naar de begrafenis van Lydia, die zich in het meer verdronken heeft. Hij is er de enige bezoeker. Al eerder had hij zich voorgenomen om daarna met het kleine treintje naar Sutz te gaan. Hij zou er, na 30 jaar, de kleine boerderij terugzien, waar Lydia gewoond had. Hij zou er de zware geur van de stal weer inademen. In de boomgaarden zouden de takken naakt zijn, sommige getordeerd in stille verwensing. Naast het kerkje verdeelde een oude linde de weg in tweeën. Als zij bloeide vermengde de zachte geur zich met de koele lucht in haar schaduw. Aan de oever van het meer bevond zich een klein haventje met een enkele boot, die toebehoorde aan een zekere mijnheer Marchand, een rijke zakenman in Biel.


Links het pad naar het kleine haventje van Marchand, mijn grootvader; rechts de grote poort van een op die plaats gebouwde bungalow en daaronder de nieuwe vissershaven.

Maar na het verlaten van het crematorium had hij nog maar een uur om naar Sutz te gaan. Een droevige bedevaart. Hij betwijfelde of de hoog-conjunctuur de boerderij van zijn kinderjaren ongemoeid zou hebben gelaten. Hij zou er alleen maar langslopen. Hij stelde zich voor dat tenminste de rietvelden en de kersenbomen onveranderd waren gebleven.
Er was geen stal meer, geen kelder; garages in plaats van de naar amoniak stinkende hokken. Nu goed, maar waarom ook het huis zelf onteerd? Grote, glazen vensters in plaats van de kleine raampjes met vitrages. Het dak doorboort met dakramen. Een galerij geheel afgescheiden met glas. De moestuin heeft plaatsgemaakt voor een belachelijk gazon, waarin een exotische denneboom geplant is.


Boven: de steriele Camping met op de achtergrond de berg, doorsneden door een recht uitgehakte autoweg. Beneden links: de boerderij van Méroz, mogelijk die waar Lydia gewoond had? Geen stallen meer, de moestuin vervangen door een grasveld. Rechts: Ingang van het Chalet onteerd door een glazen galerij.
  
De genadeslag kreeg Roland aan de oever van het meer: gevoel van beroofd te zijn. Men heeft hem een land ontnomen, een vaderland waarop hij recht had, dat hij lief had. Niettemin, zittend achter een biertje in Restaurant Anker voelt hij plotseling een soort bittere tevredenheid. Want waartoe dient een echt land? Hij is een statenloze, wachtend op het treintje dat hem terug naar Biel zal brengen. Geen haventje meer van Marchand. Geen rietvelden, geen moeras, geen bosjes van kreupelhout. De oever van het meer is verwoest door paviljoenen van technocraten, bungalows verkrampt in hun kleine, versierde parkjes, verachtelijk omheind.
Men heeft een stuk van de oever publiek gemaakt met een precies afgemeten camping. Men heeft een vierkant stuk riet en bos bewaard, schoongemaakt en voorzien van geasfalteerde wegen. Sterilisatie van een droom. Aan de blauwe overkant van het meer wordt de berg van begin tot eind verminkt door een recht uitgehakte autoweg, als een chirurgische snee in het gezicht.


De Hohle met bloeiende, hoge kersenbomen. Nu staan er alleen nog maar lage, makkelijk te plukken bomen.

Maar het is in de kersenboomgaarden dat hij zijn ergste trauma ervaart over wat verdwenen is. Zittend achter zijn Feldschlosschen bier voelt hij woede, verdriet, rouw. Talloze oudgeworden kersenbomen heeft men gekapt. Men heeft ze vervangen door ordinaire, lage boompjes die makkelijk te plukken zijn. De boomgaarden hebben hun serene schoonheid verloren, hun hoogte, hun diepte, de dimensies van hun bewoonde stilte."
("Les Cerises Noires", door Henri Debluë. 1988, Editions 24 heures, Lausanne. Hoofdstuk XIII. "Lydia, de bedevaart", gedeeltelijk en vrij vertaald.)

Zo'n weerzien na 30 jaar heb ik gelukkig nooit hoeven meemaken; ik kwam er immers elk jaar, soms meerdere keren. Wel was het een slag toen Lidie en ik in 1968 bij het Chalet aankwamen dat gerestaureerd zou worden. Ernaast vonden we de overblijfselen van een groot vuur. Aan de rand van de asberg vonden we nog een paar exemplaren van de houten dak-decoraties met uitgezaagde franse lelie. Een jaar later was het Chalet onteerd, zoals Roland opmerkte, door een glazen galerij boven de ingang.... Maar de teleurstellingen werden altijd weer goedgemaakt door wat overbleef: het uitzicht over de Bielersee en de Solermatte, de Meesjes, Merels en Wielewalen die er nog steeds fluiten en het geluid van de golven die klotsen tegen "de muur van Marchand".


De ingang van het Chalet, zoals het ongeveer 100 jaar geleden was en zoals het in 1946 mijn paradijs werd. De daklijsten werden bij de restauratie in 1968 verbrand.
(Foto I. Ehrensperger)


Wednesday, July 3, 2013

Reis naar Amsterdams Suriname: feiten en emoties



Zoals we de Javaanse cultuur hebben leren kennen in Suriname (bijv. de djaran képang op onze eerste reis in 2005), zo kon je de Surinaamse cultuur leren kennen in Amsterdam. Op 1 juli j.l. werd er Keti koti (verbroken ketenen) gevierd. Ik deed dat in twee contrasterende stappen: eerst de feiten op de tentoonstelling "Slavernij verbeeld", daarna de emoties in het Oosterpark.


Een globe uit 1750 op de tentoonstelling "Slavernij verbeeld". Helaas kon ik niet zien of de Amazone getekend was volgens de kaart van La Condamine.

Terwijl ons Koningspaar bij het Slavenmonument in het Oosterpark géén krans mocht leggen (waarschijnlijk wél als er excuses voor de veroorzaakte ellende waren gemaakt), liep ik door de tentoonstelling "Slavernij verbeeld" bij de Bijzondere Collecties van de UvA (Oude Turfmarkt 129). Ik was 2 uur lang vrijwel de enige bezoeker. De tentoonstelling was samengesteld door o.a. Carl Haarnack (bekend van zijn prachtige blog "Buku-Bibliotheca Surinamica") en de historicus Dirk Tang.

Wat een prachtige boeken over slavernij waren daar tentoongesteld! Onder andere een hollandse uitgave van Candide ou l'optimisme uit 1759 van Voltaire. Diens naam werd echter weergegeven als "V.......". Volgens Dirk Tang waarschijnlijk omdat zijn volle naam de woede van vele Hollanders zou hebben opgeroepen.


Nederlandse uitgave van Voltaire's Candide: "De gevallen van Candide over de ongeveinsde Jongeling, afschetzende de hedendaagsche waereld, na deszelfs Natuur en Eigenschappen; opgesteld door den vermaarden schrijver de V......".

Eén van de redenen waarom Voltaire (François-Marie Arouet) niet geliefd was, was wellicht zijn rijkdom. Zijn vriend de wiskundige en landmeter Charles Marie de la Condamine had een truc bedacht om de loterij te winnen. Voltaire regelde het innen van het geld (tussen 1727 en 1732) met een notaris. Samen werden ze zéér rijk: genoeg voor Voltaire om gedurende zijn hele verdere leven de publikatie van al zijn geschriften zelf te betalen en voor La Condamine om een reis naar Quito (1735) te maken en zijn terugreis over de Amazone via Paramaribo en Amsterdam (1744) te bekostigen.

De tentoonstelling werd toegelicht met informatieve video-interviews die Jörgen Raymann met zijn dochter Melody hadden gemaakt. Ook was er een opmerkelijk filmpje getiteld "Wij verlangen onze vrijheid" (productie Theater Nomade), dat onderdeel was van de afscheidsrede van prof. Cees Maris, hoogleraar Rechtsfilosofie aan de UvA. De fictieve rechtzaak liet zien hoe slecht religie en filosofie, ook in het verleden, antwoord wisten te geven op het verschijnsel slavernij.

's Middags volgde ik de rondleiding gegeven door de goed vertellende historicus Dirk Tang. Hij herinnerde eraan dat er in Nederlands Oost-Indië óók slaven waren geweest; velen! Ook vertelde hij dat er bij de suikerpersen, waar de slaven de rietsuikerstengels in moesten steken, een machete hing. Als men gegrepen werd door de pers kon de hand eraf gehakt worden om erger te voorkomen.... Wellicht een verklaring voor de slaaf met geamputeerde ledematen, die Candide in Suriname ontmoette.
Waarom liet Voltair zijn Candide juist in Suriname kennis maken met de wandaden van de slavernij? In zijn essay "Voltaire, Stedman and Surinam slavery" (Slavery and Abolition, vol. 14: 1-34, 1993) stelt Gert Oostindië dat het Voltaire niet zozeer ging om de slavernij aan de kaak te stellen, maar om af te rekenen met frauduleuze, Hollandse uitgevers. Maar waarom Suriname? Zou La Condamine zijn oude vriend Voltaire verteld hebben van de wandaden van de planters in Suriname? Dat soort verhalen kon Voltaire goed gebruiken om de draak te steken met het optimisme van Leibniz (1710) in die tijd, namelijk dat alles in onze wereld het best mogelijke is: "tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes" (met dank aan H.F. Bienfait voor de referentie).

Om 3 uur 's middags liepen er nog maar weinig witte mensen in het Oosterpark rond; ik zag slechts een enkele verdwaalde Boeroe. Volgens Jörgen Raymann, in een NOS-interview hebben de zwarte mensen in het Oosterpark vooral nog verdriet omdat er te weinig aandacht aan het slavernijverleden wordt gegeven. Het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) bijvoorbeeld verliest haar subsidie. Maar wordt hier in Nederland de pijn en verdriet niet in stand gehouden door voortgaande discriminatie? Wandelend langs de Surinaamse markttentjes vroeg ik me af wat deze mensen van het huidige Suriname en van Bouterse denken?



Suriname in Amsterdam. Wat zouden de zwarte mensen in het Oosterpark van Bouterse vinden?

Volgens NRC-nl (2 juli 2013) was Bouterse op de slavernijherdenking in Paramaribo nogal vergevingsgezind. Hij zei: "We hoeven niet steeds alleen maar achterom te kijken. Al waren het zware dagen, laten we die periode toch afsluiten. Wanneer de oude kolonisator vraagt om vergeving, laten wij hen dan ook vergeven." Na zijn oproep richtte Bouterse zich tot het publiek van enkele tienduizenden, met de vraag of zij ermee instemden dat Nederland wordt vergeven. De vraag werd met luid enthousiasme en gejoel onthaald: "Wanneer we met haat en wrok in ons hart door blijven gaan, is er geen plaats voor vooruitgang en liefde. We hebben elkaar nodig."
Doelde hij hier ook op vergeving voor zijn aandeel in de Decembermoorden?


Boekenstal in het Oosterpark

Bij een boekenstal ontmoette ik Rudy Tjoe Ny, die mij in contact had gebracht met Carl Haarnack. Nu bracht hij mij in contact met Ellen de Vries, schrijfster van het boek "Nola" (over de schilderes Nola Hatterman) en van "Suriname, na de Binnenlandse Oorlog"; nog niet gelezen..... Zij is nu bezig met een reportage over de Amnestiewet en zal meer begrijpen van wat de zwarte mensen hier over Bouterse en de Decembermoorden denken.

Sunday, January 6, 2013

Reis naar India, 1936 - "Ook zijn er nog theosofen." (Nescio, 1916)


In de zomer van 1936 bracht mijn grootvader zijn zoon Coen Woldringh naar Oostende. Vandaar zou Coen, toen 25 jaar oud en gesjeesd uit Utrecht, met de boot naar India varen. Mijn grootvader zou hem nooit meer terugzien.
India staat deze dagen niet in een goed daglicht na de groepsverkrachting van een studente in Dehli. Wat volgens Kishwar Desai (Indian Express, 3-1-2013) naar boven komt is een pathologische onvrede bij een bepaalde klasse van mannen; onvrede met de onafhankelijkheid die moderne vrouwen er ten toon spreiden.



  
Rukmini Devi gefotografeerd door Coen Woldringh in Adyar (India).

Een vrouw die ooit voor haar onafhankelijkheid moest vechten was de theosofe Rukmini Devi Arundale (1904-1986). Zij was de dochter van een bekende sanskriet-leraar en theosoof. Zij werd danseres, stichtte in 1936 een danspedagogische academie in Adyar en werd als lid van het Indiase parlement ooit voorgedragen voor het ambt van president.

Toen Coen bij de "Theosophical Society" in Adyar aankwam was daar behalve Rukmini Devi ook de theosofe Maria Montessori, die met haar zoon uit Italië was gevlucht voor Mussolini. Bij het uitbreken van WO-II werd de zoon als Italiaan geinterneerd, terwijl Montessori zelf op het terrein van de Theosofische Vereniging mocht blijven. Coen fotografeerde haar daar in een klas met 6 kinderen.


"I have a photo of Maria taking classes with six children in front of her. This is a photo Ct. Nachiappan gave me 10 years ago! The photo was taken by Conrad Woldringh, a Dutchman who came to Kalakshetra. He could sing Carnatic music, and was Nachiappan’s photographer-guru." (http://madrasmusings.com/Vol%2021%20No%202/maria-montessori-recalled.html)

 

Geheel links, Coen's cottage bij Besant Gardens in Adyar. Rechts, Coen met een onbekende.


We weten zo weinig over Coen (1911-1941), al zijn wel wat brieven bewaard gebleven. Daaruit spreekt zijn grote behoefte aan "spiritualiteit", zijn verlangen naar inzicht in de "mystiek van het hogere", zijn betrokkenheid met occultisme en astrologie. Hij kon pianospelen, zingen en tekenen. G.S. Arundale bedankt Coen in zijn boek "The Lotus Fire - a study in symbolic yoga" voor zijn illustraties. Hij voegt er aan toe: "The artistic production of much of Adyar's literary output is due to his genius."
Zou hij gelukkig zijn geweest, daar in dat Adyar? Hij stierf er op 30 jarige leeftijd toen hij vóór een voorstelling achter het toneel een electrische kabel vastpakte.

 

Bussum, 15 augustus 1960: bezoek van Rukmini Devi en Sankara aan mijn grootvader (rechts). De "indische jongen" links ben ik.


Ik heb vroeger wel geluisterd naar de verhalen van mijn grootvader over "de wijsheid die uit het Oosten komt", over zijn ervaring met "stille krachten" en over spirituele groei waar elk jongmensch naar hoort te streven. Ook ontging me niet hoe hij de naam van Rukmini Devi uitsprak: dan brak er op zijn meestal strak gehouden gelaat een sprankje emotie door. Maar wat ik ervan over heb gehouden is de scepsis over al die grote "inzichten".

Mijn beide zoons heb ik proberen te leren om eerder kleine vragen te stellen dan grote antwoorden te accepteren. Heb ik hen de kans ontnomen om in spiritualiteit troost te vinden zoals Coen gedaan heeft?
Dat we voorzichtig moeten zijn met scepsis, maar ook spiritualiteit en religie niet al te serieus moeten nemen kunnen we leren van Nescio. In "De Verliefdheid", geschreven in maart 1919, schrijft hij over Ko van der Wielen, "... een gevoelig man, hij was zelfs een verliefd man, maar boven alles was hij scepticus. (....) Een mensch kan toch maar niet wezen wattie wil."
En in "'t Getal van het Beest", geschreven rond 1916 in de tijd van Titaantjes, eindigt hij: "De geleerde en scherpzinnige criticus leeft nog en kent nu alle schilderijen van het Rijksmuseum uit z'n hoofd en nog vele andere schilderijen en zijn technische kennis is zeer groot.
Ook zijn er nog theosofen."

Tuesday, November 20, 2012

Reisangst en quantum-onzekerheid



In zijn knappe college gegeven op 16 november 2012, over de reis naar "het Allerkleinste" noemde Robbert Dijkgraaf meermalen de electronenmicroscoop, waarmee je naar het kleinste kan kijken. Hij bedoelde eigenlijk de rastertunnelmicroscoop (STM), waarmee je met een dunne naald het oppervlak van bijvoorbeeld een goudlaagje aftast: Je kan dan de afzonderlijke atomen zien!


Turen naar beelden in de Philips electronenmicroscoop EM200 in 1966.

In 1966 legde de heer A.C. van Dorsten ons de werking van het electronenmicroscoop uit. Hij besprak de stralengang vanaf het electronenkanon via electromagnetische lenzen, door het dunne object tot op het groene fluorescentiescherm. Daarop kon je door een dikke laag loodglas met een binoculair naar het beeld turen. Het waren geheimzinnige afbeeldingen van objecten die tien- tot wel honderdduizend maal vergroot waren. Groot genoeg om bacteriën en DNA-moleculen te kunnen zien; maar niet de atomen!
 Af en toe kon de Philips-man filosofisch worden. Hij vertelde dan van het angstgevoel dat hij kreeg als hij zich probeerde voor te stellen hoe je met de electronenmicroscoop kan doordringen in moleculen en atomen, naar het Allerkleinste, op weg naar het oneindig kleine, het "niets"....



De "schaal der dingen". In een helium-atoom is de atoomstraal 10,000 keer groter dan de straal van de kern. De grijze cirkel of electronenwolk geeft de waarschijnlijkheid aan waar de 2 electronen zich kunnen bevinden. "nm" staat voor nanometer, een miljoenste van een milimeter; "fm" staat voor femtometer, een miljoenste van een nanometer. Als de straal van de kern 1 cm zou zijn, dan is de straal van de grijze cirkel 100 meter!

Als ik toen de animatie van Robbert Dijkgraaf had kunnen zien, had ik de beklemming van de heer van Dorsten beter kunnen invoelen: Het filmpje toonde een atoom van wellicht helium, ter grootte van een collegezaal of een bol met een straal van 100 meter (zie figuur). Vervolgens reisde het filmpje vanaf de rand van het atoom naar binnen, naar de kern die op deze schaal een straal heeft van 1 cm. Die afgelegde afstand van ~100 m (in werkelijkheid 0.03 nm) door een lege atoom-ruimte, die moet van Dorsten zo'n angst hebben ingeboezemd. Ik kan het me nu beter indenken; wie heeft dit in Godsnaam allemaal zo bedacht?

Tijdens het beantwoorden van vragen na zijn college probeerde Dijkgraaf uit te leggen dat de ruimte tussen electronen en kern natuurlijk niet gevuld is met partikels, maar toch, op nog onbegrepen wijze, niet echt "leeg" te noemen is. Ook probeerde hij duidelijk te maken dat de quantumtheorie, één van de theorieën waarmee men deze zaken probeert te begrijpen, alléén geldt op de schaal van elementaire deeltjes. Als quantum-effecten ervoor kunnen zorgen dat deeltjes een kans hebben om óf hier óf daar te zijn en als deeltjes op grote afstand met elkaar verbonden kunnen zijn, dan geldt dat niet voor een grotere schaal zoals die voor mensen of werelden. Niettemin geloven velen van ons dat deze quantumeffecten een verklaring zijn voor mystieke gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld dat "alles met alles op een betekenisvolle manier verbonden is." Een andere uitspraak van Dijkgraaf was dat het niet geheel begrijpen van de quantumtheorie tot onzekerheid leidt en dat een wetenschapper met die onzekerheid moet leren leven. Wil of kan hij dat niet dan valt er nog in van alles te geloven, waarin de schaal der dingen kan worden overschreden. Maar de angst voor een reis naar het oneindig grote of het oneindig kleine zal voor sommigen wel blijven bestaan.

Tuesday, October 9, 2012

Wetenschap in de regen



Die vierde oktober bleef het maar regenen. Ook de mussen houden niet van regen, of niet van natte kruimels. Rosalbina noemde onze mussen (Passer domesticus) “Copetones”. Maar volgens de Guia de Campo de Las Aves de Colombia, die ik van haar kreeg, zijn de mussen in Bogotá van een andere soort: Gorrión copetón.

Een paar dagen geleden lag er plotseling een dikke envelop van "Wageningen University" op de stoep. Dat doet de post normaal niet, want we hebben immers een postfach. Maar dit zag er zó wetenschappelijk uit dat ze het maar aan huis hebben afgeleverd. Pas vandaag durfde ik het proefschrift eruit te halen: "Interplay between the bacterial nucleoid protein H-NS and macromolecular crowding in compacting DNA."  Ook ik moest deze titel 2x overlezen.
De proeven beschreven in hoofdstuk 4 ("to be submitted") heb ik afgelopen zomer mogen overdoen. Het gaat erom hoe een lange, dunne draad, het DNA, in een kleine bacteriecel gepakt zit. Daarvoor moesten heel wat DNA-kluwens gefotografeerd en gemeten worden. De nauwkeurigere, maar afwijkende resultaten moeten nog door Theo O. verwerkt worden. Om de pakking van de kluwens te voorspellen moet je statistisch-mechanisch kunnen rekenen. Zal ik die berekeningen ooit aan iemand kunnen uitleggen? Voor troost en vermaak ben ik nog maar eens naar die filmpjes gaan kijken... :



Opnamen met een fluorescentie-microscoop van DNA-kluwens die uit bacteriën geëxplodeerd zijn. In zo'n filmpje lijkt het wel vuurwerk.

Vandaag regende het de hele dag. Als het vroeger zo regende  nam mijn moeder ons mee in het Bähnli naar de speelgoedwinkel in de grote stad Biel. Met Huib of Wouter mochten we dan een gipsen en beschilderd indiaantje uitzoeken. Een efficiente aanschaf want er werd vele jaren lang mee gespeeld. We gaven ze mooie namen, zoals “Springende Panter”, geinspireerd door de boeken over Tecumseh. Nú, zo'n 60 jaar later, reed ik met eenzelfde gevoel van spanning en verwachting in de regen naar Biel om te zien of ik het atelier van Leo-Paul Robert (1851-1923) kon vinden.


Het grote atelier van Léo-Paul Robert, dat hij liet bouwen om er drie monumentale schilderijen te maken voor het trappenhuis van het Musée d'art et d'histoire in Neuchatel. Daarna verliet hij het atelier, dat nu toebehoort aan een Stichting.

De receptioniste van het Museum Neuhaus, waar ik eerder de tentoonstelling van de bekende vogel-schilder bezocht had, deed alsof ze me niet begreep toen ik haar in Bern-Dütsch vroeg waar het atelier lag. Pas toen het bij mij daagde dat ze niet uit Oost-Europa maar uit Sonvillier kwam en pas nadat ik haar in het Frans had verteld dat mijn grootvader Bürger van Sonvillier was, ontdooide ze en wees ze me vriendelijk de weg op een kaartje aan.

Reden voor mijn tocht naar dit atelier was niet Leo-Paul Robert, maar de Nederlandse schilder-schrijver Fredie Beckmans. Hij had een stukje geschreven in Hollands Maandblad, november 2011. Zijn titel "Kunstenaar in de mist", waarin hij schrijft over Biel, Rousseau en padde(n)stoelen, inspireerde mij voor de titels in dit blog en maakte me nieuwsgierig naar de schrijver.
Ondanks de uitleg van de receptioniste uit Sonvillier kostte het me een uur heen en weer rijden langs de Jura-helling boven Biel, voordat ik de stratenmaker Werner ontmoette, die het me beter kon uitleggen. "Doe Fredie de groeten; we drinken wel eens een glaasje samen." En met die introductie liet Fredie Beckmans me binnen in zijn indrukwekkend atelier. Hij liet me prachtige foto's van paddenstoelen zien, gemaakt op Ile de St. Pierre, de plaats waar Jean-Jaques Rousseau ooit zijn "Cinquième promenade" beschreef (zie blog: http://www.conradlacondamine.com/2009/10/overdenkingen-bij-ons-bezoek-aan-lile.html).
Toen hij hoorde dat ik bioloog was liet hij me foto's van myxomyceten zien en legde hij me uit dat deze organismen (het zijn géén paddenstoelen) uit versmolten cellen bestaan. Hoewel hij zich duidelijk had verdiept in wetenschappelijke aspecten van zijn paddestoelen, liet hij ook blijken dat hij de wetenschap niet al te serieus neemt. Maar hetzelfde leek voor zijn kunst of levensfilosofie te gelden: Hij vertelde me met schijnbare trots dat hij voorzitter was van de "Worstclub", verwijzend naar een grote tatoeage op zijn bovenarm. Pas later begreep ik dat hij veganist was....


Fredie Beckmans in zijn atelier. Op de achtergrond een kaart van Ile de St. Pierre met foto's en vindplaatsen van zijn paddenstoelen.

Kunst en vooral ook religie, die de grote vragen des levens beantwoorden, moet je niet altijd al te serieus nemen, beweerde ooit Gerrit Komrij, Fredie's stadgenoot. Het is immers van belang met de beleving van kunst of religie af en toe de draak te kunnen steken, zoals tijdens Sinterklaas of Carnaval; anders leidt het maar tot moordpartijen. Dit geldt niet voor wetenschap, welke immers niets met beleving te maken heeft en alleen maar héle kleine, meest technische vragen kan beantwoorden. Hoewel, er valt best wat te beleven als je ziet dat de DNA-kluwens goed uit de bacteriën exploderen. Maar van die beleving blijft weinig over als het eenmaal publiek gemaakt wordt.


Met de beleving van religie moet af en toe de draak gestoken kunnen worden.
(Afbeelding van de Iraanse kunstenaar Nooshin Zarnani)



Terug naar paddenstoelen. Dat dat moeilijke organismen zijn ervaarden Rosalbina (zie vorige blog) en ik toen we met Johannes vdV meegingen op zoek naar Steinpilze (Boletus edulis) in de Sutzer Wald. Ondanks de regen in de afgelopen tijd waren er maar weinig te vinden. Johannes legde uit dat de "Schub" niet goed was: paddenstoelen zoals eekhoorntjesbrood groeien in “boosts” of “stuwingen”, waarbij ze allemaal tegelijk rondom een geinfecteerde spar opkomen. De kunst is om zo’n “Schub” te voorspellen en dan te gaan zoeken. Maar wél met kennis van zaken: Terwijl veel boleten (Basidiomyceten) eetbaar zijn schreef mijn vader bij veel soorten “niet goed” (Boletus calopus) of “giftig” (Boletus satanas”) met rode inkt in zijn Pilz-boek.


Met Johannes vdV op zoek naar eekhoorntjesbrood in het Bos van Sutz.
Rechts: aan de rand van de Wolfsgrabe.

Hoeveel verschillende soorten paddenstoelen én myxomyceten gingen er niet door mijn handen toen ik de al half verrotte rondhouten stammetjes van de op 21 maart gevelde eik opstapelde? Maar er was geen tijd ál die verschillende kleuren en vormen te bewonderen: ze moesten gekloven worden en onder het zojuist gemaakte dak gestapeld worden. Na twee jaar drogen zijn ze dan te gebruiken; misschien in de broodoven, die ik naar voorbeeld van Charel Scheele wil bouwen met klei uit de Wolfsgrabe?


Boekjes van de bakkerszoon Scheele met een onverwacht verhaal uit de tweede wereldoorlog: hoe hij in Zeeland zijn Tante Sjoertie met haar gehandicapte zoon door de hongerwinter hielp, teleurgesteld raakte in het verzet van priesters en dominees, toetrad tot de Heiligen van de Laatste Dagen, onterfd werd en emigreerde naar Amerika.

Tuesday, September 4, 2012

Bezoek uit Bogotá



Na een lange reis ("un muy largo viaje") vanuit Bogotá kwam Rosalbina op 22 augustus aan op Schiphol. Al gauw bleek dat ik haar spaans redelijk kon verstaan omdat ze niet zo idioot snel sprak als een spaanse TV-presentator. Ook bleek dat ze niet verlegen was, dat ze veel wist te vertellen en te vragen en dat ze mijn praat-pogingen geduldig kon aanhoren én verbeteren.

Ze had maar een kleine koffer bij zich vól cadeautjes, voor ons hier en voor de mensen straks in Zwitserland. Wat had ze voor zichzelf bij zich? Wat slepen wij toch allemaal mee op reis? 
Eén van de cadeaus was een blok panela. Van zulke rietsuiker of "gula java" (niet te verwarren met "guajaba", een in Colombia veel voorkomende appel) at ik tijdens mijn eerste verblijf in Bogotá in 1975 grote hoeveelheden. Ik had blijkbaar op die hoogte (2600 m) suiker nodig, maar dat kon later door diverse artsen niet bevestigd worden.... Ik heb toen een folder gekocht, uitgegeven door SENA (Servicio National de Aprendizaje), waarin werd uitgelegd hoe je panela kon maken. Rosalbina herkende de folder direct. Hoe had ik ooit kunnen weten dat zij later op een van die instituten zou gaan studeren?



De folder van SENA, gekocht in Bogotá in 1975 en een foto van een "panelera".

Het wonder van de "Guascas"



Kaal Knoopkruid; rechts de gladde (Galinsoga parviflora) en links de harige.


Het (on)kruid Galinsoga parviflora werd in 1796 vanuit Peru naar de Kew Gardens gebracht en zou van daaruit verspreid zijn. De naam "Galinsoga" was al bekend aan Spaanse botanici die tussen 1777 en 1788 door Chili en Peru reisden. Hoe dan ook het kruid is hier nu overal te vinden. In Colombia heet het "Guasca" en wordt het gebruikt als smaakmaker in de Ajiaco, een soep van aardappels, groente, mais en kip.

De blaadjes van het hier gevonden Knoopkruid smaken of ruiken echter naar niets! Omdat we de soep willen maken voor zo'n dertig gasten hebben we het eerst maar uitgeprobeerd. En, oh wonder, na toevoegen van een bosje van de geurloze blaadjes bleek na korte tijd koken de hele soep de karakteristieke smaak van de ajiaco te hebben gekregen!


Zelfs op de Tweede Boomdwarsstraat in de Jordaan vond Rosalbina "Guascas".


Boven: Giulia voert de guascas aan; na uitkoken van de geurloze blaadjes komt er smaak. Onder: Het toevoegen van de blaadjes: al na een paar minuten koken van de op het laatst toegevoegde guascas kreeg de soep de karakteristieke Ajiaco-smaak.



Interesse
Omdat Rosalbina geinteresseerd was in bomen, bloemen en zaden en liever naar een hacienda of tuin ging dan naar een museum, bezochtten we plaatsen zoals de Bussummergrindweg, waar alle nootjes allang verteerd waren, het Pinetum Blijdestein, waar ook palmen waren, een grote kastanje bij Hamdorff, verziekt door een paddenstoel, en de bloeiende heide bij Huizen.



De Busummergrindweg, het Pinetum Blijdenstein, de kastanje bij Hotel Hamdorff, verziekt door een paddenstoel en de heide bij Huizen.


Een tweede bezoeker
Op 24 september kwamen Boud en Giulia aan op Schiphol. Rosalbina zag Boud voor de tweede keer, maar Giulia voor het eerst.
Na een reünie met familie en vrienden, samen goed voor zo'n 10 liter ajiaco-soep, reisden we samen naar Zwitserland. Ik probeerde me zo'n tocht in Colombia voor te stellen: hier leek het alsof we tussen Naarden en Luzern de bebouwde kom niet uit waren gekomen.....


Eén zoon, één kleindochter en twee moeders.


Charala
Terwijl we 's ochtends door het dorp wandelden om brood, "anke" en Gruyère-kaas te kopen, viel Rosalbina het mooie uitzicht over de Solermatte op; daar had ze als boerendochter een goed oog voor. Lopend langs "het Chalet" vertelde ik haar dat ik daar 2 jaar gewoond had voordat ik op mijn achtste naar de grote stad Hilversum verhuisde om er naar school te gaan. Rosalbina vertelde toen hoe zij op een Finca in Charala opgegroeid was en op haar achtste naar Bogotá moest verhuizen om er onder toezicht van een oud-tante naar school te gaan. Elk jaar ging ze voor de vakantie terug naar de boerderij "El Cucharo" bij Charala, waar haar ouders en jongere broers en zusters woonden. Hoewel hemelsbreed niet meer dan 200 km van Bogotá verwijderd, duurde de reis per bus zo'n 9 uur. Maar aan Charala had zij haar hart verpand.....


De Finca "El Cuchara", waar Rosalbino werd geboren, ~8 km ten zuiden van Charala en ~100 km ten noorden van Bogotá.

Thursday, June 7, 2012

Israel en Iran


HaZorea

De man in het vliegtuig van Zürich naar Tel Aviv was even oud als ik. In de oorlog was zijn familie door de Duitsers van Roemenië naar Wit-Rusland getransporteerd. Daar hadden ze allen door een mirakel het concentratiekamp overleefd. Hij keerde terug naar Roemenië, groeide daar op en emigreerde pas in 1961 naar Israel; naar Be'er-Sheva, waar hij een textielwinkel begon. Hij was nog ontdaan van de opmerking van een Zwitserse taxichauffeur: "Dat het maar goed was dat zijn land (Israel) in het Midden-Oosten lag..."

Net als bijna twee jaar geleden brachten Huib en Mirjam M. ons naar hun kibbutz HaZorea, over de nieuwe highway no. 6. En weer rijden we langs de "verboden" muur, langs de zich snel uitbreidende Joodse (bijv. Tzur Natao) én Arabische steden; weer gaan we over de Wadi Ara en zien we de door de ondergaande zon prachtig belichte Carmel Mountains. We rijden langs het zich steeds verder uitbreidende Yokne'am naar het vredige HaZorea, dat nog steeds te herkennen is aan het dak van de grote stallen.



Hijskranen boven het Joodse Tzur Natao, nét aan déze kant van "de muur" 
(niet te zien op de foto), symboliseren Israel's groeikracht 





Iedere ochtend worden we wakker met de welklinkende geluiden 
van de Grauwe Buul-buul. 


Iran en de bom

Na mijn bezoek aan Iran vorig jaar schreef ik in mijn blog dat het me niet zou verbazen als de verhouding tussen Israel-VS en Iran zou ontspannen. Maar het afgelopen jaar liet daar helaas niets van zien.

Wat is nu de werkelijke intentie van Israel's leiders en wat moet je beschouwen als wapengekletter om de onderhandelaars wakker te houden voor de komende besprekingen van de "P5+1" in Moskou op 18 juni? Na de onderhandelingen in Bagdad blijft Iran onverkort bij haar stelling dat het recht heeft op het verrijken van uranium tot 20% voor civiele doeleinden. Hebben ze ook het recht om voortdurend op te roepen tot volledige vernietiging van het "Zionistische regime" in Israel? Wil het Westen dat Iran uranium inlevert, dan moet het eerst de sancties opheffen. Maar het Westen gaat ermee door: op 1 juli aanstaande stopt de EU met de aanschaf van Iraanse olie. Dergelijke sancties zijn overigens volgens Rusland in strijd met het internationale recht.

De meeste mensen hier zijn tegen een militaire oplossing van het conflict met Iran. Maar wat doe je tegen angst? Tegen de angst voor een Iran dat voortdurend roept dat Israel geannihileerd moet worden? Tegen de angst voor een land dat op korte termijn (binnen 5 jaar) een kernbom kan maken op plaatsen (o.a. Natanz; zie Blog), die zelfs immuun zijn tegen Amerikaanse bommen? En een land van waaruit kernmateriaal verspreid kan worden naar organisaties zoals bijv. de sterke Hezbollah in Libanon?

Bommen op Iraakse (in 1981) en Syrische (in 2007) installaties bleken effectief (zie column van Amos Yadlin in The New York Times van 20 februari 2012). Gaat Israel weer zoiets doen? Dat is een vraag waar je aan moet denken als je de continue trainingsvluchten boven de vallei van Emek Yizre'el hoort.



 

Op het dak van het Carmelitische Muchraka-klooster, boven op Mount Carmel. Huib wijst naar de ruines van de Caravan Serail, ingeklemd tussen HaZorea en het steeds groter wordende Yokne'am. Links de vallei van Yizre'el. 





Akko: de "Enchanted Garden", de ingang naar het fort uit de 12de eeuw, waar de kruisvaarders aankwamen en konden uitrusten (Hospitaller Fortress). 



Be'er-Sheva

Wat is die stad gegroeid (nu zo'n 200,000 inwoners), maar ook de vlakbij liggende Bedouinen-stad Ra'ad. Met de Bedouinen worden de problemen betreffende land-toewijzingen langzaam opgelost. Daarmee vergeleken zijn onze problemen met minderheden maar heel klein.

Vaak als je met de mensen hier praat komen indrukwekkende, maar trieste verhalen uit de oorlog naar boven: op de vlucht vanuit Parijs met vader kunnen ontkomen naar het zuiden; moeder met broer op het nippertje door een Franse gendarme opgepakt en nooit meer gezien. En: grootouders overleefden Stalingrad, moeder kon met baby eruit komen en naar Omsk vluchten. Later via Litauen ontkomen naar Israel.

Toch zijn veel mensen hier positief. Echter niet wat betreft een vredesovereenkomst met de Palestijnen. Die willen, kunnen, mogen niet. Waarom proberen wij (USA, EU) de Israeliers te dwingen af te zien van hun nederzettingen, maar wordt er nimmer geprobeerd bij de Palestijnen iets af te dwingen? Bijvoorbeeld om hun onderwijssysteem te veranderen? In de door de VN gesubsidieerde schoolboeken zou het land Israel niet vóórkomen; dat is toch te gek?

Op mijn vraag aan een militair of Israel zou overgaan tot een aanval op Iran was zijn lakonieke antwoord dat zij al lang in de aanval waren....



Be'er-Sheva in de ochtendzon: godsdienstige reclame, 
bloeiende Bougainville en overal hijskranen.